Vragen beantwoord over invoering rechtsvermoeden op basis van uurtarief

Minister Aartsen van Werk en Participatie heeft vragen beantwoord over het onderdeel ‘rechtsvermoeden’ uit de Wet Vbar, dat is overgebracht naar het wetsvoorstel ‘Invoeren rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief’. Uitgangspunt hierbij is dat bij een uurtarief van € 38 (peildatum 1 januari 2026) of minder ervan wordt uitgegaan dat de arbeid in dienstbetrekking is verricht, tenzij de opdrachtgever kan aantonen dat er toch geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Voor de criteria voor het zelfstandig ondernemerschap wordt aangesloten bij de Zelfstandigenwet. Deze wet wordt daartoe verder uitgewerkt.
Uit de antwoorden blijkt dat de beoogde inwerkingtredingsdatum van het rechtsvermoeden 1 juli 2026 is, mits dit haalbaar is. In het kader van het Europese Herstel- en Veerkrachtplan dat ziet op het andere deel van de Wet Vbar is het kabinet in gesprek met de Europese Commissie over termijnverlenging om een financiële korting te voorkomen. Daaruit blijkt dat het onderdeel rechtsvermoeden uiterlijk 31 augustus 2026 moet zijn gepubliceerd in het Staatsblad. Het rechtsvermoeden krijgt onmiddellijke werking. Vanaf de inwerkingtredingsdatum geldt het rechtsvermoeden dus ook voor arbeidsrelaties die al voor de inwerkingtredingsdatum zijn aangegaan, maar na die datum nog bestaan. Blijkt dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst? Dan geldt dit voor de gehele duur van deze arbeidsrelatie. Het rechtsvermoeden geldt niet voor particuliere opdrachtgevers.
Uitsluitend civielrechtelijke werking
Het rechtsvermoeden heeft uitsluitend civielrechtelijke werking. Omdat het gaat om een puur civielrechtelijk rechtsvermoeden, geldt het rechtsvermoeden uitsluitend tussen de werkende en werkgevende. Het rechtsvermoeden werkt niet (publiekrechtelijk) door naar de uitvoering van de socialezekerheidswetgeving en de fiscaliteit. Dit betekent dat de Belastingdienst niet toetst aan het rechtsvermoeden. De Belastingdienst houdt zijn eigen onderzoeksplicht. De Belastingdienst beschikt vooraf niet over het uurtarief van een werkende, waardoor het uurtarief niet in het risicogerichte toezicht kan worden meegenomen. Bovendien zijn alle feiten en omstandigheden van het individuele geval relevant voor de vraag of er sprake is van een dienstbetrekking. De hoogte van de beloning en de wijze waarop de beloning tot stand is gekomen (heeft de werkende veel of weinig onderhandelingsruimte over het tarief) zijn slechts enkele elementen voor die beoordeling.
Bron: Fiscount