Hof Amsterdam: Uber-chauffeurs zijn geen werknemer

Het hof Amsterdam heeft op 27 januari 2026 een belangrijke uitspraak gedaan over de positie van Uber‑chauffeurs. In het hoger beroep tussen Uber, zes chauffeurs en vakbond FNV oordeelde het hof dat deze zes chauffeurs zelfstandig ondernemer zijn en dus niet op basis van een arbeidsovereenkomst werken. Daarmee worden de vorderingen van FNV in deze procedure afgewezen.
Achtergrond: vragen aan de Hoge Raad
De uitspraak volgt op prejudiciële vragen die het hof eerder stelde aan de Hoge Raad. Die oordeelde begin 2025 dat extern ondernemerschap een volwaardig gezichtspunt is bij de kwalificatie van arbeidsrelaties en dat dit zelfs doorslaggevend kan zijn. Daarmee bevestigde de Hoge Raad dat er geen vaste rangorde bestaat tussen de zogenoemde Deliveroo‑gezichtspunten: alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen. Deze verduidelijking vormde de basis voor het oordeel dat de zes chauffeurs die in hoger beroep aan de zijde van Uber meewerkten, niet als werknemers kunnen worden aangemerkt.
Waarom deze chauffeurs als ondernemers gelden
Het hof hecht in zijn beoordeling belang aan factoren die wijzen op ondernemerschap. Zo investeren chauffeurs in hun eigen voertuig, hebben zij vrijheid om hun werktijden te bepalen en hebben zij autonomie bij het accepteren van ritten en de daarbij behorende verdiensten. Ook het risico op aansprakelijkheid en arbeidsongeschiktheid wijst volgens het hof op ondernemerschap.
Geen oordeel voor alle Uber‑chauffeurs
Belangrijk is dat het hof níet heeft geoordeeld dat alle Uber‑chauffeurs per definitie ondernemer zijn. De beoordeling blijft casuïstisch: afhankelijk van de concrete werkwijze en omstandigheden kan voor sommige chauffeurs nog steeds sprake zijn van een arbeidsovereenkomst. Voor de zes chauffeurs in deze procedure kon echter niet worden vastgesteld dat zij werknemer waren, en evenmin kon een collectieve kwalificatie voor alle chauffeurs worden gegeven. Daarom zijn de vorderingen van FNV afgewezen.
Wat betekent dit voor werkgevers?
Deze uitspraak geeft meer duidelijkheid over de beoordeling van arbeidsrelaties, maar beslecht de bredere discussie niet. De kern voor werkgevers blijft dat:
- de feitelijke uitvoering van het werk doorslaggevend is, niet de contractuele benaming;
- vrijheid bij het uitvoeren van het werk, inbedding van het werk en de werkende en het dragen van ondernemersrisico zwaar wegen bij de kwalificatie;
- individuele omstandigheden kunnen maken dat twee mensen die hetzelfde werk doen verschillend worden gekwalificeerd: de één als werknemer en de ander als zelfstandig ondernemer.
Voor organisaties die werken met zzp’ers onderstreept de uitspraak van het hof de noodzaak van een zorgvuldige, feitelijke analyse van de arbeidsrelatie.
Meer informatie
Hoewel deze uitspraak meer duidelijkheid biedt over de juridische beoordeling van arbeidsrelaties, blijft het afwachten hoe de Belastingdienst deze lijn zal betrekken bij de handhaving op schijnzelfstandigheid. De uitspraak verandert niets aan het uitgangspunt dat opdrachtgevers zelf verantwoordelijk blijven voor een juiste kwalificatie op basis van de praktijk. Het is voor de Belastingdienst lastiger geworden om conclusies te trekken voor groepen zzp’ers, omdat de omstandigheden per geval verschillen.
Voor organisaties die werken met zzp’ers onderstreept deze uitspraak opnieuw het belang van het kritisch beoordelen en vastleggen van de feitelijke werkwijze.
Bron: BDO