Belastingdienst maakt 180 graden draai: zzp-huisarts werkt níet schijnzelfstandig

Nadat de Belastingdienst haar vooringenomen oordeel van tafel haalde bij een zzp-tandarts, doet zij nu hetzelfde bij een zzp-huisarts. Het verwijt dat zzp’ers in de zorg vanzelfsprekend schijnzelfstandig zouden zijn, wordt stap voor stap afgebroken. Als een zzp-huisarts voor een huisartsenpraktijk werkt, betekent dit niet automatisch schijnzelfstandigheid.
Belastingdienst: zzp-huisarts werkt níet schijnzelfstandig
De Belastingdienst komt in het geval van zzp huisarts Ingrid Lieverse terug op haar eerdere oordeel. Ze blijkt niet schijnzelfstandig en kan wel degelijk ondernemen in de zorg. Dit in tegenstelling tot het eerdere standpunt, waarin de Belastingdienst zeker wist dat Lieverse geen ondernemer zou zijn.
Zonder hoor- of wederhoor ontneemt de fiscus Lieverse het ondernemerschap in december 2025. De huisarts vroeg een btw-vrijstelling aan en ontving plotsklaps een brief waarin werd gesteld dat zij “geen ondernemer was”. Terwijl ze al een jaar actief was als BIG geregistreerde zzp huisarts en haar ondernemerschap inmiddels 17 opdrachtgevers kende. Toch werd er geen vraag gesteld.
Vervolgens begon het touwtrekken over de positie van haar onderaannemerschap in een huisartsenpraktijk. De spreekwoordelijke strijd van David tegen Goliath duurde in dit geval zes maanden en leverde een verweer van 19 pagina’s op. Met hulp van haar beroepsorganisatie dwingt Lieverse uiteindelijk af dat zij wel degelijk mag ondernemen en geen schijnzelfstandige is. De Belastingdienst maakt de 180 draai en erkent dat professionele autonomie en wettelijke Wkkgz kwaliteitsverplichtingen meetellen.
Sinds 2024 gooit Belastingdienst zzp’ers in de zorg op één hoop
Tegen het Deliveroo arrest in, gooit de Belastingdienst zzp’ers in de zorg al jaren op één grote hoop en veronderstelt schijnzelfstandigheid voor de hele sector. Deze mening wordt op veel plekken nog steeds gehanteerd, zonder alle feiten en omstandigheden per zzp opdracht te beoordelen. Dat is namelijk wat de arbeidswet vereist. Volgens de fiscus leidt ‘inbedding’ binnen zorgorganisaties tot dienstverband en wordt voor de zzp zorgprofessional bepaald ‘hoe’ het werk gedaan moet worden door de opdrachtgever. Dus is er sprake van gezag en dus een dienstbetrekking.
De rechter stelt zich op een heel ander standpunt, maar daar doet de Belastingdienst in de praktijk weinig mee. De stemmingmakerij richting de zorgsector blijft daarmee grotendeels in stand en leidt tot angst en onzekerheid bij opdrachtgevers. Waardoor de zzp inzet tijdelijk is geïmplodeerd. In het geval van deze huisarts legde ze niet neer bij het standpunt van de Belastingdienst dat zij geen ondernemer was en kwam zij in verzet. Huisarts Lieverse was gezegend met een vasthoudende beroepsorganisatie.
Sinds 2024 eist beroepsorganisatie huisartsen duidelijkheid
De landelijke koepel van huisartsen kwam al vrij vroeg in verzet tegen het vooringenomen oordeel van schijnzelfstandigheid in de zorg. Het probleem is namelijk dat huisartsenpraktijken waarnemers nodig hebben om het vol te houden. Die waarnemers werken als zzp’er en kiezen daar bewust voor. Het ‘oordeel schijnzelfstandigheid brengt de continuïteit van zorg in gevaar’ zo stelde de LHV in 2025. Daarmee werden de huisartsen een beroepsgroep waar het dossier op de spits zou worden gedreven.
Want na maanden van aandringen heeft de Belastingdienst vorig jaar definitief moeten bekennen dat zij met ‘schijnzelfstandig’ als oordeel voor zzp huisartsen kwam. De fiscus stelde dat zzp huisartsen een arbeidsovereenkomst moeten hebben, een voor de LHV onacceptabel besluit. Maar nu het zwart op wit stond, kon de beroepsorganisatie zich ertegen verweren. Bij dat oordeel schijnzelfstandigheid “leggen we ons als LHV niet neer. Zo wordt de continuïteit in de huisartsenzorg zeer moeilijk gemaakt.”
Na stevige lobby van de LHV dwong de beroepsorganisatie via de politiek af dat zzp huisartsen niet collectief afgeschreven werden. Althans, dat was de Kamermotie. Want een paar maanden later werd huisarts Lieverse alsnog eenzijdig en zonder vragen uit haar ondernemerschap gehaald. Een uitgebreid verweerschrift van 19 A4-tjes legde vanuit de LHV alle relevante wet- en regelgeving van deze waarnemend huisarts voor en dat leidde uiteindelijk tot het oordeel ‘buiten dienstverband’. Zo werd eindelijk bewezen dat zzp in de zorg helemaal niet vanzelfsprekend schijnzelfstandig is.
Beroepsorganisatie blijkt effectiever dan zzp belangenbehartiger
Nadat een zzp-tandarts druk zette en toch níet schijnzelfstandig bleek te werken, was het nu een huisarts die hetzelfde voor elkaar kreeg. In beide gevallen speelden zzp-belangenorganisaties geen rol, terwijl zij nu juist adverteren met een lobby voor zzp-schap. Het probleem dat zzp belangenbehartigers hebben, is dat zij constructief willen samenwerken met de partijen die zzp inzet belemmeren. Dit levert een dubbele boodschap vanuit zzp belangenorganisaties op aan hun achterban.
Het blijken in de praktijk juist een aantal beroepsorganisaties die zich inhoudelijk echt vastbeten in de beoordeling en bereid bleken om langdurig juridische ondersteuning te bieden. De LHV werkte een geval van één huisarts zeer uitgebreid uit. Dit staat in schril contrast met de achttien zorgcasussen die in 2025 via zzp brancheorganisaties zoals SoloPartners aan de Belastingdienst werden voorgelegd.
Deze casussen waren bedoeld om duidelijkheid te scheppen over zzp constructies, maar de voorbeelden bleken onvoldoende uitgewerkt om een definitief een oordeel te geven. De casussen waren namelijk te eenvoudig uitgewerkt. Nu blijkt dat een oordeel wel degelijk mogelijk is, mits alle feiten en omstandigheden worden gepresenteerd. De beroepsorganisatie LHV had er weliswaar 19 pagina’s voor nodig, maar het leidt wel tot een oordeel dat zzp in de zorg mogelijk was.
Feiten blijven hetzelfde, maar Belastingdienst draait 180 graden
De vraag is niet langer óf een zzp’er in de zorg zelfstandig kan werken. Zowel bij de tandarts als bij de huisarts concludeert de Belastingdienst uiteindelijk dat daarvan sprake kan zijn. Het ministerie van SZW verdraaide zorgwetgeving om zzp-inzet te ontmoedigen, maar daar komt de Belastingdienst niet langer mee weg.
De professionele autonomie die deze twee beroepsgroepen hebben, voorkomt gezag en is bij veel meer zorgberoepen van toepassing. Niet sinds kort, maar sinds 2016 toen de Wkkgz van kracht werd. Ook de arbeidswetgeving is de laatste jaren door rechters herhaald en herhaald. Waarom leidde hetzelfde juridische kader dan in 2025 tot het doorstrepen van ondernemerschap en in 2026 tot het accepteren ervan?
Waren de ingediende zorgcasussen onvoldoende uitgewerkt om alle relevante feiten en omstandigheden zichtbaar te maken? Of blijkt dat de Belastingdienst haar ‘zorgsector = schijnzelfstandigheid‘ interpretatie moet bijstellen omdat het dossier écht volledig werd onderbouwd?
De feiten waarop zelfstandigen in de zorg hun ondernemerschap baseren, zijn niet wezenlijk veranderd. Het enige dat wél veranderd is, is de beoordeling door de Belastingdienst. Eerst bij de zzp-tandarts, daarna bij de zzp-huisarts. Daarmee laat de Belastingdienst zelf zien dat zzp’ers in de zorg niet vanzelfsprekend schijnzelfstandig zijn, nadat dit wel jaren zo is gesuggereerd.
Bron: ZZP’er in de Zorg