Herinvesteringsvoornemen niet aannemelijk, dotatie aan HIR terecht geweigerd

Een BV wil voor de boekwinst op een verkocht bedrijfspand een herinvesteringsreserve vormen. Voor de beoordeling of sprake is van een herinvesteringsvoornemen komt het niet alleen aan op de interne wil of bedoeling van de belastingplichtige op zich, oordeelt de rechtbank Gelderland.
Het voornemen moet afgeleid kunnen worden uit zekere naar buiten toe blijkende gedragingen en handelingen.
Een BV verkoopt in 2019 een in juni 2004 verkregen bedrijfspand aan een derde voor de koopsom van € 1.050.000,-. Het gaat om een autoshowroom met bijbehorende werkplaats die wordt verhuurd aan een andere BV die indirect volledig in handen is van een zoon van de bestuurder en enig aandeelhouder. De fiscale boekwaarde van het pand bedroeg bij levering € 488.971,-. In de aangifte Vpb 2019 voegt de BV een bedrag van € 546.029,- toe aan de HIR vanwege de behaalde boekwinst op het pand. De inspecteur accepteert bij het opleggen van de aanslag Vpb 2019 de toevoeging aan de HIR niet en stelt dat de BV het herinvesteringsvoornemen voor het pand niet aannemelijk heeft gemaakt.
De rechtbank Gelderland beoordeelt of de inspecteur de aanslag Vpb 2019 naar een te hoog bedrag heeft vastgesteld. In geschil is of de BV een herinvesteringsreserve mocht vormen voor het (verkochte) pand. De BV is van mening dat de aanslag Vpb 2019 te hoog is vastgesteld en stelt dat zij het herinvesteringsvoornemen voldoende aannemelijk heeft gemaakt.
Verklaring van voornemen alleen is niet genoeg
De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie het voor de beoordeling of sprake is van een herinvesteringsvoornemen niet slechts aankomt op de interne wil of bedoeling van de belastingplichtige op zich, maar op de wil of bedoeling zoals deze in gedragingen en handelingen tot uiting komt. Er is geen sprake van een voornemen als een belastingplichtige slechts verklaart dat hij voornemens is de opbrengst te herinvesteren in één of meer voor de HIR kwalificerende bedrijfsmiddelen. Het voornemen dient te kunnen worden afgeleid uit zekere naar buiten toe blijkende gedragingen en handelingen waaruit de op herinvestering gerichte wil kan worden afgeleid.
Op de BV rust dus in dit geval de last om de feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die meebrengen dat zij ultimo 2019 een herinvesteringsvoornemen had. De rechtbank constateert dat de BV ter onderbouwing van haar herinvesteringsvoornemen enkele stukken heeft overlegd. Zoals de notulen van de directievergadering van 6 juni 2019, waarin is opgenomen dat de behaalde boekwinst van de verkoop zal worden aangewend voor investeringen in aan te kopen of te ontwikkelen onroerend goed. Ook zijn verklaringen overlegd van derden over bezichtigde panden, een verklaring van een adviseur en een latere opdrachtbevestiging van een makelaar.
Objectieve gegevens ontbreken
De rechtbank is van oordeel dat de BV niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op de balansdatum een herinvesteringsvoornemen had. De BV heeft wel notulen van de directievergadering overgelegd waarin is vermeld dat zij voornemens is de boekwinst op het verkochte pand aan te wenden voor investeringen in aan te kopen of te ontwikkelen onroerend goed. Maar dit stuk wordt niet ondersteund door objectieve gegevens die getuigen van naar buiten toe blijkende gedragingen en handelingen waaruit de op herinvestering gerichte wil kan worden afgeleid.
Ook in samenhang met de overgelegde verklaringen is het bewijs onvoldoende, zowel omdat op basis van verklaringen geen naar buiten toe blijkende gedragingen kunnen worden vastgesteld, als omdat de verklaringen niet overtuigend genoeg zijn. Zo is onduidelijk welke 8 à 9 panden een derde namens de BV heeft bezocht en voor welk doel. Die persoon bezocht namelijk ook voor anderen dan de BV panden. Bovendien vonden deze bezichtigingen plaats in 2017, dus vóór de verkoop van het pand in 2019 en vóór het vormen van de HIR. Uit die verklaring blijkt dus niet het herinvesteringsvoornemen op de balansdatum.
Achteraf opgestelde mondelinge opdrachtbevestiging
De overgelegde verklaring van de makelaar van 5 juli 2023 acht de rechtbank niet geloofwaardig, mede omdat de BV wisselende verklaringen heeft afgelegd omtrent de werkzaamheden van de makelaar. In eerste instantie heeft de BV meermalen verklaard dat een derde weliswaar contact heeft met een makelaar, maar dat hij zelf zonder makelaar de panden bezocht.
Pas nadat de adviseur de BV erop had gewezen dat een opdrachtbevestiging van een makelaar mooi zou zijn, heeft de BV verklaard dat er een opdracht is gegeven aan een makelaar om een vervangend pand te zoeken. Toen pas, in de bezwaarfase, is de verklaring van de makelaar overgelegd met een daarin een (achteraf opgestelde) bevestiging van een mondelinge opdrachtbevestiging. Voor de rechtbank is dit geen overtuigend bewijs.
De conclusie is dat de inspecteur de dotatie aan de HIR terecht niet heeft geaccepteerd bij het opleggen van de aanslag Vpb 2019 en dat de aanslag niet te hoog is vastgesteld.
Rechtbank Gelderland, ECLI:NL:RBGEL:2026:2506
Bron: Accountancy Vanmorgen