Rechtsvermoeden voor zzp’ers aangenomen door Tweede Kamer Artikel

De Tweede Kamer heeft op 21 april 2026 het rechtsvermoeden uit de Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR) aangenomen. Daarmee is een belangrijke stap gezet in de verdere aanscherping van de regels rondom het werken met zzp’ers. Als ook de Eerste Kamer instemt, wordt verwacht dat het rechtsvermoeden per 1 september 2026 in werking treedt.
Wat is het rechtsvermoeden?
Het rechtsvermoeden houdt in dat een werkende zich kan beroepen op het vermoeden van een arbeidsovereenkomst wanneer hij of zij een uurtarief van € 38 of lager hanteert. In dat geval wordt vermoed dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, tenzij de werkgever kan aantonen dat daarvan geen sprake is. De bewijslast verschuift hiermee naar de werkgever. Van belang is dat het rechtsvermoeden uitsluitend door de werkende zelf kan worden ingeroepen. Het UWV en de Belastingdienst kunnen zich dus niet op het rechtsvermoeden beroepen.
Indexatie van het uurtarief
Naast het rechtsvermoeden heeft de Tweede Kamer ook een amendement aangenomen over de indexatie van het uurtarief. Het uurtarief wordt voortaan niet meer geïndexeerd op basis van het wettelijk minimumloon, maar op basis van de gemiddelde cao-loonontwikkeling. Dit betekent dat het tarief van € 38 naar verwachting sneller zal stijgen dan wanneer aansluiting was gehouden bij het minimumloon.
Plaats binnen de bredere zzp-wetgeving
Het rechtsvermoeden maakt onderdeel uit van een bredere herziening van de wet- en regelgeving rondom zzp’ers. Zo is het kabinet momenteel bezig met een uitwerking van de Zelfstandigenwet. Deze wet moet duidelijkheid bieden over wanneer iemand als zelfstandige kan blijven werken, onder meer aan de hand van een zelfstandigentoets en een werkrelatietoets (zie hier). Tot die tijd gelden de bestaande regels uit de wet en de rechtspraak, waarbij het rechtsvermoeden geldt als een gerichte aanvulling.
Wat betekent dit voor organisaties?
Voor organisaties die (veel) met zzp’ers werken, is het raadzaam deze ontwikkeling mee te nemen in de risicobeheersing binnen het zzp-dossier. Het hanteren van een hoger uurtarief biedt echter geen automatische zekerheid. Ook bij een hoger uurtarief kan nog steeds sprake zijn van schijnzelfstandigheid. De feitelijke inrichting van de samenwerking, de mate van zelfstandigheid en de contractuele afspraken blijven van groot belang. Werkgevers doen er daarom goed aan om bestaande en nieuwe zzp-relaties kritisch tegen het licht te houden en waar nodig aan te passen.
Bron: BDO