Hof: werkers Temper zijn wel degelijk uitzendkrachten

Werkers die via het online platform Temper werkzaamheden verrichten, sluiten een uitzendovereenkomst met Temper en zijn dus geen zzp’ers. Dat heeft het gerechtshof Amsterdam geoordeeld in een zaak die FNV en CNV tegen het platform hadden aangespannen. Daarmee komt het hof tot een ander oordeel dan de rechtbank.
Temper exploiteert sinds 2016 een online platform waarop werkers en opdrachtgevers overeenkomsten kunnen sluiten over uit te voeren werkzaamheden. Volgens Temper gaat het om zelfstandigen die via het platform opdrachten verwerven. De bonden stelden juist dat sprake is van schijnzelfstandigheid en dat de werkers in werkelijkheid uitzendkrachten van Temper zijn. De rechtbank Amsterdam wees de vorderingen van de bonden eerder af, maar het hof komt in hoger beroep tot een ander oordeel.
Uitzendovereenkomst
Het hof toetst de verhouding aan artikel 7:690 BW en betrekt daarbij de gezichtspunten uit de Deliveroo-uitspraak van de Hoge Raad. Volgens het hof is Temper nauw betrokken bij de contractuele driehoeksverhouding tussen platform, werker en opdrachtgever. Temper stelt onder meer gebruikersovereenkomsten, een modelovereenkomst van opdracht en een vervangingsovereenkomst beschikbaar. Ook verlopen facturering en betaling in de praktijk grotendeels via de door Temper ingerichte structuur met factoringmaatschappij Finqle.
Verder speelt Temper volgens het hof een belangrijke rol bij de wijze waarop de beloning wordt bepaald en uitgekeerd. De opdrachtgever vult weliswaar het uurtarief in, maar het platform laat geen tarief onder het minimumloon toe, toont vergelijkbare tarieven in de regio en biedt werkers de mogelijkheid een hoger tarief te vragen. Dat maakt het platform volgens het hof niet slechts een bemiddelingssite.
Het hof acht daarnaast van belang dat de klussen onderdeel zijn van de gebruikelijke werkzaamheden van de opdrachtgevers. De opdrachtgever bepaalt begin- en eindtijd en kan in de briefing nadere gegevens over de klus en verantwoordelijkheden opnemen. Zonder nadere toelichting valt volgens het hof niet in te zien dat een werker via Temper geen, minder of andere instructies krijgt dan een werknemer in dienst van de opdrachtgever die soortgelijke werkzaamheden verricht.
De voorlopige conclusie van het hof is daarom dat een werker in het kader van het bedrijf van Temper aan een opdrachtgever ter beschikking wordt gesteld om onder toezicht en leiding van die opdrachtgever een klus te verrichten. Daarbij berust het formele gezag bij Temper en oefent de opdrachtgever het materiële gezag uit.
Geen doorslaggevend ondernemerschap
De omstandigheden waarop Temper wees, brengen het hof niet tot een ander oordeel. De vervangingsmogelijkheid weegt daarvoor onvoldoende zwaar. Dat 43% van de werkers zich volgens Temper weleens heeft laten vervangen, betekent volgens het hof nog niet dat werkers zich niet gehouden achten het werk persoonlijk uit te voeren.
Ook loopt de werker volgens het hof geen commercieel risico. Uitgangspunt is dat werkers hun vorderingen aan Finqle verkopen en direct betaald krijgen tegen inhouding van 2,9%. Daarmee lopen zij geen risico op niet-betaling van gewerkte uren. Dat sommige werkers volgens Temper investeringen hebben gedaan, is onvoldoende toegelicht en past volgens het hof ook niet goed bij de aard van veel aangeboden functies en de gemiddelde vergoeding.
Het hof gaat ook in op de vraag of werkers zich in het economisch verkeer als ondernemer gedragen of kunnen gedragen. Volgens Temper heeft 91% van de werkers een btw-nummer en 53% een KvK-inschrijving. Dat betekent volgens het hof dat 9% geen btw-nummer heeft en 47% geen KvK-inschrijving. Voor de overige werkers geldt dat ondernemerschap, gericht op winst maken, zich zonder nadere toelichting niet verhoudt tot een gemiddeld uurtarief van € 20,78 in 2025, gelet op kosten die een ondernemer zelf moet dragen.
Collectieve actie kan doorgaan
Een belangrijk deel van het arrest gaat over de ontvankelijkheid van de bonden. Het hof oordeelt dat de vorderingen voldoende gelijksoortig zijn, omdat de werkwijze van Temper op het platform centraal staat. De verschillen tussen werkers staan daaraan volgens het hof niet in de weg.
Ook het grote aantal opt-outs leidt niet tot beëindiging van de collectieve actie. De rechtbank ging uit van 61.292 Temper-werkers en 15.298 opt-outverklaringen, afgerond een kleine kwart. Anders dan de rechtbank ziet het hof daarin geen reden om de procedure niet voort te zetten. De ruime meerderheid heeft zich niet aan de bindende werking van de uitspraak onttrokken, waardoor een collectieve actie volgens het hof efficiënter en effectiever blijft dan individuele procedures.
Wel verklaart het hof de bonden niet-ontvankelijk in enkele vorderingen. Dat geldt onder meer voor vorderingen die zien op overtreding van artikel 7a Waadi, omdat handhaving daarvan bestuursrechtelijk plaatsvindt en de burgerlijke rechter daar volgens het hof geen taak heeft. Ook een subsidiaire vordering tegen Temper wegens onrechtmatige daad blijft niet-ontvankelijk, omdat de bonden daarvoor niet aan alle reguliere WAMCA-eisen voldoen.
Niet alle vorderingen toegewezen
Het hof verklaart voor recht dat sprake is van een uitzendovereenkomst tussen Temper en alle werkers die werkzaamheden verrichten of hebben verricht via het platform. Daarnaast verklaart het hof voor recht dat Temper tussen 1 januari 2016 en 1 april 2019 artikel 9 Waadi heeft geschonden door werkers € 1 per gewerkt uur te vragen voor haar terbeschikkingstellingsactiviteiten.
Andere vorderingen van de bonden stranden. Zo wijst het hof de gevraagde verklaring voor recht over hoofdelijke aansprakelijkheid van opdrachtgevers voor achterstallig salaris af, omdat de opdrachtgevers geen partij zijn in de procedure. Ook hebben de bonden volgens het hof onvoldoende feitelijk onderbouwd dat het betaalde loon en de overige arbeidsvoorwaarden van alle werkers niet voldeden aan artikel 8 Waadi of de cao voor uitzendkrachten. De cao-schadevordering wordt eveneens afgewezen, omdat de bonden niet hebben toegelicht dat en in welke omvang zij of hun leden schade hebben geleden.
Gerechtshof Amsterdam, ECLI:NL:GHAMS:2026:1612